Persoonlijke blog 

Het moment dat we de trap van het vliegtuig afstappen in Nairobi, ruik ik het meteen weer: de vertrouwde geur van Kenia. Het is lastig uit te leggen wat die geur precies is, maar mijn neus en mijn lijf herkennen het onmiddellijk. Het voelt alsof ik thuiskom. De hitte van het asfalt, de warme wind die om mijn hoofd waait, de geur van kerosine vermengd met stof, het is zó anders dan in Nederland, en toch zo bekend. Mijn hart lijkt het zelfs te ruiken. Ik ben ‘gezegend’ met een sterke reuk, al is dat niet altijd even prettig.

Toen we terugkwamen in Nederland en ik onze koffers opende, kwam diezelfde geur me weer tegemoet. Mijn moeder zei vroeger vaak: “Als je hier komt, dan ruik je naar Kenia.” Meestal merkte ik dat zelf niet zo, maar toen ik in november onze kleding uit de koffer haalde, kon ik er onmogelijk omheen.

Ook in Kisumu word je voortdurend omringd door geuren. Afval dat langs de weg verbrand wordt, buren die houtskool maken, koeienpoten die worden aangebrand om aan de honden te voeren, hardwerkende mannen met een sterke zweetgeur, een vrachtwagen voor je die dikke zwarte rookwolken uitbraakt. Het zijn niet bepaald geuren waar je blij van wordt. Maar er zijn ook de fijne geuren: de bloemen van een papayaboom die je al van verre ruikt, de geur van regen op droge grond, versgebakken mandazi langs de weg, de bakkerij bij de supermarkt waar het naar warm brood ruikt.

We gebruiken ons reukorgaan veel meer dan we denken, en het vertelt je vaak meer dan woorden kunnen, zeker in ons werk. Afgelopen week bezocht ik een mevrouw die erg ziek is. Zodra ik haar huisje binnenstapte, rook ik het al: een geïnfecteerde wond. Als verpleegkundige herken je bepaalde geuren meteen; de geur van infectie en pus is er zo één. Ik zei het tegen mijn collega, die me verbaasd aankeek. “Wat ruik je dan?” Ik snoof nog eens en zei: “Ze heeft een geïnfecteerde wond.” Toen de mevrouw naar binnen kwam schuifelen, werd de geur sterker. Ze was omringd door vliegen, nóg een teken. Toen ze eenmaal zat, vroeg ik hoe het ging en of ze inderdaad een wond had. Dat bleek zo te zijn: een nare fistel als gevolg van een tumor. Mijn neus had het goed geroken, en mijn collega glimlachte: “Je had gelijk.”

Bij de volgende patiënt lag een oudere mevrouw nog in bed, te zwak om op te staan. Ze heeft slokdarmkanker met uitzaaiingen door haar hele lichaam. Haar ogen zijn gesloten wanneer we binnenkomen; wat is ze verzwakt. Zodra ze ons hoort, begroet ze ons zacht en herhaalt meerdere keren hoe ziek ze is. Dat is duidelijk te zien. Ik sta naast haar en probeer haar fluisterende woorden op te vangen. Plotseling moet ze diep hoesten, een hoest die vanuit haar tenen lijkt te komen. En op dat moment ruik ik het: die ene geur die ik nog ken uit mijn tijd in het hospice. De geur van de dood. Het is niet uit te leggen, maar iedereen die in de zorg werkt en het ooit heeft geroken, weet precies wat ik bedoel.

Ik krijg kippenvel op mijn armen. Menselijkerwijs gezien heeft deze mevrouw niet lang meer. De chemokuren hebben niet gewerkt; haar lichaam wordt verteerd door de kanker.

Wat kunnen we nog doen? Wat mogen we nog zeggen? Tijdens eerdere bezoeken mochten we met haar delen uit Gods Woord, en ze hunkerde naar bemoediging. Ze had het Woord lief. Voor we vertrekken bidden we met haar en dragen we haar op aan de troon van genade, dat God haar nabij zal zijn in deze laatste periode van haar leven.

Wanneer ik naar buiten stap, haal ik een paar keer diep adem, alsof ik de nare geur van me af wil spoelen. Het blijft nog even hangen in mijn neus, en het kost tijd om het los te laten.